Ons appartementencomplex bestaat uit drie delen: appartementen blok A, appartementen blok B, garages en staanplaatsen.
Iedereen woont in blok A of B, maar enkele bewoners hebben geen garage of staanplaats.
De elektriciteit van inkomhall A, inkomhall B, en parking staan op dezelfde meter en het gebruik kan dus niet berekend worden. De kosten van deze meter (ong. 1000 euro per jaar worden door 2 gedeeld: blok A en B betalen ieder de helft. Wie geen garage heeft betaalt dus mee voor de verlichting (3 spots ganse nacht 2 op beweging) van de parking.
Ik stelde voor om deze factuur in drie te delen (uitgaand van ongeveer evenveel verbruik, terwijl de parking de grootste energieverslinder is): 1/3 wordt door blok A betaalt, 1/3 door blok B en 1/3 door de eigenaars van de parking.
Onze syndicus legt mijn vraag voor aan de bewoners van blok B (op 1 na allemaal mede-eigenaars van de parking), maar ook aan de AV van de parking-eigenaars. De meerderheid stemt natuurlijk tegen mijn voorstel. Syndicus zegt dat hij gehouden is aan de beslissingen van de meerderheid…
In feite verplicht de syndicus bewoners mee te betalen aan de kosten van iets wat niet hun eigendom is.
Ik dacht dat mijn voorstel om de factuur door drie te delen redelijk, realistisch en rechtvaardig was. Kan dit zomaar onder het mom van “de meerderheid beslist”? Kunnen we eisen om een aparte meter te plaatsen ?(maar ook dat zal weggestemd worden).
10 Antwoord
Dank je voor de tips en de reacties.
Het gaat om drie aparte verenigingen die geen deel uitmaken van een hoofdvereniging.
Ook al kan het gebruik preciezer gemeten worden, dan nog vindt de meerderheid dat de verlichting van de parking ook moet betaald worden door wie geen parking heeft omdat het licht veiliger zou zijn voor iedereen (wat uiteraard niet zo is).
In de basisacte van blok A en B staat niets over de kosten van de parking. Er staat alleen vermeld wat de bijzondere gemene delen zijn die enkel voor de garages gelden:” de leidingen (bij elektriciteit, de scheidingsmuren, de steunen, de bedakking en alles wat met betrekking tot deze ruimten als gemeen beschouwd wordt door de wet van 8/6/1924″. Op geen enkele andere plaats.
Ik veronderstel dat dit een punt is voor een statutaire AV, dat moet geagendeerd en toegelicht worden (en niet behandeld in de varia als een fait-divers) en waarvan een gemotiveerde beslissing in het verslag te vinden is.



