Geachte,
Door de nieuwe wet op de gedwongen mede-eigendom heeft een mede-eigenaar met een nipte 2/3 meerderheid op de VME vergadering van februari 2019 op rechtmatige wijze kunnen bekomen dat de huurder van zijn handelspand (bloemenwinkel) de gemeenschappelijke ruimte mag aanwenden voor commerciële doeleinden (in het verslag van de VME staan geen specifieke gegevens wat plaats of afmetingen betreft). Enkele weken na die vergadering vroeg de uitbater aan zijn huisbaas of hij zijn twee plantenkarren nu ook mag plaatsen op de plek die sinds mensenheugenis fungeert als fietsenstalling, waarop hij een bevestigend antwoord kreeg. Van de 8 in de grond bevestigde fietshaken, verspreid over ganse gevellengte, komen er daardoor tijdens de winkeluren twee in onbruik. Weliswaar wordt er slechts ¼ van de ruimte ingenomen die bestemd is voor het stallen van fietsen, maar volgens mij is die inname een bestemmingsverandering ook al is dat alleen tijdens de winkeluren, en voor een bestemmingsverandering is een 4/5 meerderheid nodig. Ik stel dus het verslag van de VME niet in vraag (daar zou het trouwens te laat voor zijn), maar ik meen wel dat de verhuurder (de huurder doet te goeder trouw wat zijn huisbaas hem zegt) zijn huurder een recht toekent dat niet strookt met de wet op de mede-eigendom. Wat is uw reactie? Alvast met dank.
19 Antwoord
’t appartement, ik vraag niet om een reactie van jou. Het is nu net meester Clabots die van in den beginne gezegd heeft dat, gezien de nieuwe wetgeving inzake mede-eigendom, een handelszaak met een 2/3 de meerderheid der stemmen, gebruik mag maken van de gemeenschappelijke delen, een mening waar ik me aanvankelijk niet kon bij neerleggen, maar ze had gelijk.
Mag ik vragen om niet meer te reageren om mijn vragen, ik heb geen zin in ruzie en ook net om van de kant in de gracht te raken door jouw ‘informatie’. Ik reageer ook niet op wat jij hier schrijft, tenzij je je tot mij richt, maar zelfs dat laatste ga ik niet meer doen, puur tijdverlies.



