Beste,
Ik ben eigenaar van een gelijkvloers appartement met aan de achterkant een tuin en aansluitend een gehandicaptenparkeerplaats P9.
Mijn parkeerplaats vormt op plan en als opgeleverd een trapezium met een korte voorzijde en een lange achterzijde. De stenen van mijn parkeerplaats zijn gewone stenen, in het echt en op de tekening. Op de plannen staat alleen een afmeting vermeld bij de korte voorzijde en de zijkant. Het is niet bekend wat de afmeting van de lange achterzijde is. Tijdens de verkoopprocedure zijn er ook nog andere plannen voorbij gekomen, waarbij de lange achterkant wel een afmeting heeft, die groter is dan de korte voorkant. Bovendien is de korte voorkant in deze plannen langer dan in de plannen waar de lange achterkant niet werd becijferd. De plannen met getekende trapezium maar zonder becijferde lange achterkant zijn uiteindelijk opgenomen in de akte.
Rechts van mij bevinden zich 9 reguliere, rechthoekige parkeerplaatsen P10-P18. Deze zijn rechthoekig en hebben een lengte en breedte afmeting vermeld in het plan. Deze zijn op plan en in het echt uitgevoerd met grasdallen. De grens van mijn parking (P9) met die rechts van mij (P10) wordt gevormd door de overgang van gewone stenen naar grasdallen. Dit is op het plan zo, en in het echt. De reguliere parkeerplaatsen worden afgebakend door witte plastic kapjes op de grasdallen. Rechts van P18 bevindt zich een inrit die de parking met een gewestweg verbindt. Aan de overkant van P10-P18 bevinden zich carports P1-P7, naast P7 had een tweede gehandicaptenparkeerplaats moeten komen, maar dat is een middenspanningscabine geworden. Dit was de toestand van de voorlopige oplevering op 16 december 2025.
Op 27 december 2025, 11 dagen na de voorlopige oplevering, mailt een eigenaar naar de VME:
Ik verschoot toch hoe smal de oprit is naar de parkeerplekken. Ik vermoed dat de eerste parkeerplaats ook verkocht is? Ik vrees wel dat indien daar een auto gaat staan het zeer moeilijk wordt om uw bocht te nemen?
De eigenaar van P18 (tevens rekencommissaris en voormalig grondeigenaar van het gehele perceel van het project) antwoordt op 2 januari 2026:
Die bedenking hebben we ook gemaakt. Inderdaad deze parkeerplaats is verkocht en wel aan ons voor de volle prijs ?.
De VME zet dit als agendapunt op de AV van 11 februari 2026. Tijdens de AV van 11 februari 2026 merkt de VME op dat de aannemer tijdens de oplevering van de gemene en privatieve delen de bouwheer niet toeliet de parking te betreden, laat staan met een auto, omwille van veiligheidsredenen. De VME wenst een procedure te starten tegen de aannemer, de syndicus raadt dit af, omdat het lang zou duren, veel zou kosten, en omdat de aannemer zich volgens de syndicus zou beroepen op het feit dat wij akkoord zijn gegaan met voorlopige oplevering.
Er wordt besloten de aannemer op 12 februari 2026 in gebreke te stellen, en af te wachten hoe die reageert. De architect informeert daarop de projectontwikkelaar:
“De andersvalideplaats P9 werd vergund met een minimale breedte van 364 cm. Na een controlemeting werd een breedte van 426 cm vastgesteld. De parkeerplaatsen kunnen hiertoe opschuiven, zodat ter hoogte van de doorgang 62 cm extra breedte voorzien kan worden”.
Daarop vroeg de syndicus mij:
“De vraag werd terecht gesteld waar de verkoper 62 cm wou toveren. Na aandringen de info hieronder. Kan u beamen dat uw parking inderdaad ongeveer 460 breed is maar op de door u getekende plannen +/- 364 cm?”.
Deze informatie werd nergens vastgelegd in een PV van de voorlopige oplevering. Bovendien zijn er duidelijke visuele markeringen in het plan die exact overeenstemmen met de realiteit: de scheiding tussen P9 en P10 sluit exact aan tegen de hoek van mijn tuinhuisje, en de zijkant van P18 sluit exact aan tegen een hoek van het tuinhek.
In reactie hierop informeer ik de syndicus dat ik mij beroep op hetzelfde standpunt als waarop de aannemer zich volgens de syndicus zou beroepen in het geval de VME de aannemer dagvaardt, namelijk dat de voorlopige oplevering heeft plaatsgevonden, en dat ik niet wil dat mijn parking wordt verkleind en dat het niet zonder mijn toestemming mogelijk is om dat toch te doen.
Vervolgens blijft het maandenlang stil, totdat ik op 28 mei 2026 vaststel dat er op de gewone tegels van mijn parking ongeveer 60cm van de scheiding een witte gebroken streep is aangebracht met verf, en dat de witte plastic kapjes in de grasdallen zijn verplaatst met ongeveer 60cm richting mij, zodat er tussen P18 en de doorgang 60cm vrije ruimte ontstaat.
Ik wist niets van deze ingreep en ben niet verwittigd, uit navraag blijkt dat slechts enkele leden van de VME hierover werden geïnformeerd. Ik heb aangifte gedaan bij de politie wegens aanbrengen van verf op mijn eigendom, de schade gemeld bij de syndicus en de streep laten verwijderen. Daarnaast heb ik een kegel met afzetlint naar mijn tuinhek geplaatst, zodat de scheiding tussen P9 en P10 duidelijk is en exact samenvalt met de overgang van de gewone tegels naar de grasdallen. Ik verzoek de projectontwikkelaar, syndicus en VME meerdere keren om uitleg hoe dit kon gebeuren, waarom ik niet werd geïnformeerd, waarom slechts enkele VME leden hiervan op de hoogte waren en wie dit heeft uitgevoerd, maar niemand reageert.
Op 2 juni 2026 stel ik aan de VME en syndicus voor om toch tegen het advies van de syndicus in de mogelijkheden te verkennen ten aanzien van procederen tegen de aannemer over de gebrekkige toegang ten gevolge van de plaatsing van P18. Op 3 juni 2026 ontvang ik een ingebrekestelling van de advocaat van de aannemer, waarin staat:
“Hierbij werd overeengekomen dat het goed wordt verkocht in zijn toekomstige staat van afwerking overeenkomstig de plannen en bestekken die gehecht werden aan de overeenkomsten. Deze plannen vormen, samen met de overige contractuele documenten, de bindende referentie voor wat u heeft aangekocht.”
“Uw parkeerplaats werd hierbij ingetekend met een breedte van 3,65 m. In de overeenkomst tot wederzijdse aankoop-verkoopbelofte en de authentieke akte werd voorts uitdrukkelijk overeengekomen dat een eventueel verschil tussen de opgegeven grondoppervlakte en de werkelijke oppervlakte, al is het groter dan 1/20ste, geen grond tot vermeerdering of vermindering van de koopsom, noch tot ontbinding van de koop, oplevert.”
Van belang is dat het oppervlak van P9 niet bekend is, omdat van de trapeziumvorm alleen de voorkant en de zijkanten gekend zijn, en de achterkant mist.
Verder heeft men het over de middenspanningscabine (deze staat aan de andere kant van de parking, ik zie de link met P9-P18 niet). Men stelt dat ik niet akkoord ga met het 50cm verschuiven van P8-P17. P8 is een carport aan de andere zijde van de parking. Het oorspronkelijke voorstel was het verschuiven van P10-P18 over 62cm. Verder wordt onterecht gesteld dat alle mede-eigenaars hiermee instemden, behalve ik. Deze stemming vond nooit plaats, en dat heb ik met veel moeite bevestigd gekregen van de syndicus. Daarbij vermeldde de syndicus tevens dat deze kwestie geen VME aangelegenheid is, maar een privatieve aangelegenheid.
De ingebrekestelling vermeldt dat de aannemer wederom de streep zal aanbrengen op P9, en dat ik zal opdraaien voor de kosten, ook als ik het weer verwijder.
Vreemd genoeg vermeldt de ingebrekstelling niets over de voorlopige oplevering, terwijl de syndicus vermeldde tijdens de AV van 11 februari 2026 dat dit het succesbepalende standpunt zou zijn dat de aannemer zou innemen ten aanzien van P18 wanneer zij door de VME in gebreke wordt gesteld, en daarom reden voor de VME om niet te procederen.
Ik heb de ingebrekestelling van de aannemer betwist, gesteld dat de aannemer mijn eigendom niet mag betreden of aanpassen en dat zij zal opdraaien voor de herstelkosten, en dat er nooit een stemming van de VME omtrent dit onderwerp heeft plaatsgevonden. De syndicus bevestigde dit.
Wat betreft P18 is van belang dat de eigenaar tevens de voormalige eigenaar was van het gehele perceel waarop het volledige appartementenproject en parking nu zijn gebouwd. De eigenaar van P18 is tevens rekencommissaris, staat binnen de VME bekend als iemand die niet stopt tot hij zijn zin krijgt en er bestaat een indruk dat de eigenaar van P18 de syndicus volledig onder controle heeft. Het is mogelijk dat de eigenaar van P18 als voorzitter van de VME samen met een deskundige van een door de syndicus aangestelde architectenbureau betrokken was bij de oplevering van de gemeenschappelijke delen. Tijdens de AV van 11 februari 2026 werd in ieder geval geconstateerd dat de verantwoordelijke voor de voorlopige oplevering het gebrek van de parking niet opmerkte en dus ook niet in het PV heeft vermeld.
Op dit moment spelen er dus 2 punten, met elk hun uitdagingen.
- Ten aanzien van P9
- Kan P9, ondanks voorlopige oplevering waarbij in de PVs niets werd vermeld over een gebrek ten aanzien van afmetingen, maanden na de voorlopige oplevering zonder toestemming van de eigenaar worden ingeperkt?
- Is de gebrekkige doorgang veroorzaakt door P18 een reden om de opgeleverde afmetingen van P9 ter discussie te stellen, ondanks dat de afmetingen van P9 slechts gedeeltelijk bekend zijn door de trapeziumvorm en het plan op basis van visuele aanknopingspunten overeenkomt met de realiteit?
- Waarom zou het argument dat de voorlopige oplevering heeft plaatsgevonden niet werken als ik het gebruik voor P9, terwijl de aannemer het volgens de syndicus wel succesvol zou kunnen inzetten in het geval van P18?
- Kan ik mij verdedigen tegen aanvallen van de aannemer, en hoe?
- Ten aanzien van P18
- Is het beeld dat de syndicus schetst, dat het kansloos is om te procederen tegen de aannemer, terecht of gekleurd?
- Kunnen er stappen worden ondernomen ten aanzien van P18, omwille van het feit dat het de doorgang blokkeert? En is de P18 eigenaar dan partij? Of de aannemer? Kan ik als eigenaar van P9 stappen ondernemen tegen de aannemer ten aanzien van P18 of tegen de eigenaar van P18?
Alvast hartelijk dank voor uw kijk op deze zaak.
1 Antwoord
Ik ben eigenaar van een gelijkvloers appartement met aan de achterkant een tuin en aansluitend een gehandicaptenparkeerplaats P9.
Ik ben eigenaar van een gelijkvloers appartement = juist , volle eigendom
met aan de achterkant een tuin en aansluitend een gehandicaptenparkeerplaats P9. = juist maar de tuin en P9 , welk recht werd u in de zakenrechtelijke statuten van het gebouw toegekend ? neem aan dat de tuin en P9 niet aanzien wordt als uw volle eigendom maar statutair benoemd als exclusief gebruiksrecht/erfdienstbaarheid…..maw. tuin en P9 behoren tot de gemeenschappelijk gemene delen waarvan u het exclusief gebruiksrecht op heeft….een wereld van verschil ….
Vaststelling , bouwheer , aannemer , architect versus individuele eigenaar wiens “volle eigendom” niet ter discussie staat , maar wel de daaraan gekoppelde erfdienstbaarheid , afmetingen van P9.
Alle partijen halen alles uit hun kast om hun gelijk te krijgen…..gelijk hebben en gelijk krijgen ligt ergens in het midden.
Wat kan en moet u doen , de “zaak” staat immers op scherp , getuige de verklaringen van de bouwheer , architect , aannemer en de ‘ingebrekestelling’ van de advocaat vd aannemer.
Weet dat elke individuele mede eigenaar zelfstandig en (desnoods) gerechtelijk kan optreden en zijn belangen behartigen/verdedigen als eiser en dit conform art.3.92 §1
………………
Iedere mede-eigenaar kan echter alle rechtsvorderingen alleen instellen betreffende zijn kavel, na de syndicus daarover te hebben ingelicht die op zijn beurt de andere mede-eigenaars inlicht.
Gelet op het touwtrekken van alle partijen EN rekening houdend met de bepalingen vervat in uw statuten van het gebouw , is het meer dan aangewezen dat u een advocaat/mede eigendom contacteert welke gepast kan reageren op die ‘ingebrekestelling’ advocaat aannemer. Overweeg ook een (onafhankelijke) landmeter in te schakelen en laat P9 duidelijk bepalen.
mijn advies….probeer een minnelijke schikking/overeenkomst….en weet dat dergelijke erfdienstbaarheden niet eeuwigdurend is en de titularis van een exclusief gebruiksrecht er geen eigenaar van is , lees :
www.elfri.be – Artikel – Exclusieve gebruiksrechten op gemeenschappelijke delen



